Recente wijziging Bouwbesluit 2012
Sinds 1 januari van dit jaar geldt voor nieuwbouw dat bij elke toegang naar een woning vanuit een gemeenschappelijke verkeersruimte of vanaf het aansluitende terrein een ‘20 mm-detail’ aanwezig moet zijn (artikel 4.27, lid 3, Bouwbesluit 2012). Aansluitend terrein is in het Bouwbesluit gedefinieerd als ‘aan een bouwwerk grenzend onbebouwd gedeelte van een perceel of openbaar toegankelijk gebied’. Een bouwkundig trapje voor de voordeur is niet aan te merken als aansluitend terrein en dus niet meer toegestaan. Het doel van deze wijziging is uiteraard om de toegankelijkheid van woningen voor mensen met een beperking te verbeteren. Opvallend is dat het begrip ‘toegang’ in het Bouwbesluit niet is gedefinieerd. Het is de vraag of elke doorgang in de gevel als toegang moet worden aangemerkt. Dit is wel de bedoeling van de wetgever, maar juridisch mogelijk niet houdbaar. Deze eis geldt (nog) niet ter plaatse van een ‘toegang’ vanaf een balkon of dakterras. De verwachting is dat hier in de toekomst wel een eis aan zal worden gesteld.
Verschillen tussen Bouwbesluit 2012 en Bbl
De rangschikking van alle eisen, en ook die met betrekking tot toegankelijkheid, is in het Bbl enigszins anders dan in het huidige Bouwbesluit. In het Bbl is in de nieuwbouwafdeling 4.6 (Toegankelijkheid) een onderverdeling gemaakt in een paragraaf over bereikbaarheid (4.6.1), een paragraaf over toegankelijkheidssectoren (4.6.2) en een paragraaf over de bereikbaarheid van een bouwwerk (4.6.3). Deze opbouw, waarbij alle eisen aan de toegankelijkheid van een gebouw bij elkaar komen te staan, is logischer dan die van Bouwbesluit 2012, waarin de bereikbaarheid van een bouwwerk vanaf de openbare weg bijvoorbeeld niet is geregeld in hoofdstuk 4 (bruikbaarheid), maar in hoofdstuk 6 (installaties).
Inhoudelijk zijn er voor wat betreft de nieuwbouweisen aan bereikbaarheid en toegankelijkheid in het Bbl enkele verschillen met Bouwbesluit 2012:
Bereikbaarheid
De minimale vrije hoogte van een doorgang naar een verblijfsgebied/verblijfsruimte, naar een verplichte toiletruimte, badruimte, bergruimte en buitenruimte, naar een ruimte voor het bereiken van een lift, en op een route vanaf het aansluitende terrein naar een hiervoor genoemde ruimte, wordt voor alle gebruiksfuncties behalve de woonfunctie (niet zijnde een woonwagen) verlaagd van 2,3 m naar 2,1 m (artikel 4.180, lid 1, Bbl).
- De minimale hoogte tussen de bouwconstructies bij een lifttoegang wordt voor alle gebruiksfuncties behalve de woonfunctie (niet zijnde een woonwagen) verlaagd van 2,3 m naar 2,1 m (artikel 4.180, lid 2, Bbl).
- Ook de vrije doorgangshoogte van een verkeersroute wordt voor alle gebruiksfuncties behalve de woonfunctie (niet zijnde een woonwagen) verlaagd van 2,3 m naar 2,1 m (artikel 4.181, lid 1, Bbl).
- Het maximale hoogteverschil van 20 mm, dat voor diverse routes en toegangen geldt, moet worden gemeten vanaf de vloer met aankleding. In Bouwbesluit 2012 is dit vanaf de afgewerkte vloer. Met deze tekstuele aanpassing is geen inhoudelijke wijziging maar een verduidelijking beoogd (artikel 4.182, Bbl).

Toegankelijkheidssector
- Het minimum aantal integraal toegankelijke toiletruimten in een toegankelijkheidssector in een celfunctie, gezondheidszorgfunctie, kantoorfunctie en onderwijsfunctie is in Bouwbesluit 2012 gebaseerd op het aantal verplichte toiletruimten. In het Bbl zijn voor utiliteitsfuncties geen reguliere toiletruimten meer voorgeschreven. Daarom is in het Bbl het vereiste aantal integraal toegankelijke toiletruimten gebaseerd op het aantal personen dat daarop is aangewezen. In een celfunctie, gezondheidszorgfunctie en kantoorfunctie moet één integraal toegankelijke toiletruimte per 300 personen aanwezig zijn. In een onderwijsfunctie is dit één op 1.050 personen (artikel 4.186, leden 3 en 4, Bbl).
- De vrije hoogte van een verkeersroute in een toegankelijkheidssector wordt voor alle gebruiksfuncties aangepast van 2,3 m naar 2,1 m (artikel 4.188, lid 3, Bbl). Een aandachtspunt hierbij is dat bij een woonfunctie de vrije doorgangshoogte op grond van de ‘gewone’ bereikbaarheidseisen (artikelen 4.180, lid 1 en 4.181, lid 1, zie hierboven) nog altijd 2,3 m moet blijven. Het aansturen van artikel 4.188, lid 3 heeft voor de woonfunctie dus geen betekenis.

Bereikbaarheid van een bouwwerk
In artikel 4.192, lid 1 van het Bbl is bepaald dat ten minste één route naar of van de hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector, een woonfunctie of een voor publiek toegankelijk gebouw1 zonder toegankelijkheidssector, over een pad of steiger moet voeren met:
- een breedte van ten minste 1,1 m; en
- bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 20 mm: een vaste hellingbaan die moet voldoen aan de eisen die het Bbl in paragraaf 4.2.4 stelt aan een verplichte vaste hellingbaan.
In Bouwbesluit 2012 geldt deze eis in artikel 6.49 voor een route naar ‘ten minste een toegang’ in plaats van naar ‘de hoofdtoegang’ van een gebouw met een toegankelijkheidssector. Hierbij merken we op dat ook het begrip ‘hoofdtoegang’ niet in het Bbl wordt gedefinieerd.
Verder geldt de eis op dit moment nog niet voor een woonfunctie. Wel geldt de eis sinds 1 juli 2021 al voor woon- en voor publiek toegankelijke gebouwen zonder toegankelijkheidssector. Op het moment dat deze eis ook voor (grondgebonden) woonfuncties gaat gelden, zal dit mogelijk gevolgen gaan hebben voor de inrichting van de tuin.
Tot slot
U kunt de eisen nalezen in het Bbl. De toelichting bij de wijzigingen is te vinden in de Staatsbladen waarin deze zijn gepubliceerd, onder andere in Staatsblad 2021-147.










